De oecumenische reikwijdte van een nieuw liedboek

Op zaterdag 7 juni 2008 werd in De Zwanenhof in Zenderen een studiedag gehouden over het oecumenische karakter van het toekomstige Liedboek voor de Kerken, georganiseerd door het Centrum voor de Kerkzang i.s.m. de stichting Kerkmuziek en Oecumene en de Prof.Dr. G.van der Leeuwstichting.
Op bijgaand PDF-bestand treft u de lezing aan die Pieter Endedijk hield.

BijlageGrootte
De oecumenische reikwijdte van een nieuw liedboek.pdf110.31 KB
Pieter Endedijk – 28 augustus, 2008 – 15:01

Welke liederen in het nieuwe liedboek?

De liturgische vernieuwing heeft ook uitholling gebracht: Het boete-element (verootmoediging) is geschrapt en Kyrië en Gloria zijn ingevoerd met een beroep op de eeuwenoude traditie. Voor een goede en werkende liturgie is echter boete noodzaak. De vorm van Kyrië die is ingevoerd bestaat uit voorbeden, het is een verdubbeling van de voorbeden later in de dienst en heeft weinig toevoegde waarde. Het Gloria is een vrij willekeurig loflied uit het Liedboek of een andere bundel, het heeft vrijwel geen karakter als liturgisch element. Lofliederen kunnen de hele dienst door gezongen worden en ook in de paarse tijd kan een loflied op die plek in die dienst gezongen worden. Pas als Kyrië en Gloria kenmerkende liturgische gezangen worden, kan het toegevoegde waarde geven. Zo niet, dan is de voorbereiding met de Tien Woorden verre te verkiezen boven Kyrië en Gloria.

Wat mij betreft is de grootste vernieuwing van het Dienstboek de tien Woorden als Lofprijzing, smeking, enz. Het is een vorm van liturgie die werkt. De afwisseling van Tien Woorden met responsen is vernieuwing de van aloude Gereformeerde liturgie die iets toevoegt. Het is jammer dat bepaalde responsen (bijv. Geprezen zijt gij in Eeuwigheid) niet een toegankelijke melodie hebben. Het is te hopen dat het nieuwe liedboek ook voortbouwt, de sterke responsen overneemt en de ontoegankelijke vervangt voor toegankelijke. Ook dient bij de samentelling van het nieuwe liedboek bedacht te worden in wat voor praktijk het nieuwe Liedboek gebruikt moet gaan worden. Dat is veelal in dorpen zonder kerkmusicus met een amateurorganist. Als ook in deze praktijk bepaalde liturgische vormen ingang vindt omdat het de kerkgangers aanspreekt en niet omdat de voorganger vindt dat het moet zal dat het nieuwe liedboek echt meerwaarde geven. Dat is niet eenvoudig, gezien het moeizame gebruik van de refreinliederen (vooral in de Bijbelliederen) uit het Liedboek der Kerken, die al vooruit liepen op vernieuwing van liturgische vormen, die zich eigenlijk niet heeft weten door te zetten.

Marco Roepers

Roepzes – 11 januari, 2010 – 15:24