De nacht is haast ten einde

In 2003 is het honderd jaar geleden dat de Duitse dichter Jochen Klepper werd geboren. Als schrijver van kerkliederen heeft hij in zijn korte leven een bescheiden maar invloedrijk oeuvre nagelaten, dat verstaan moet worden tegen de achtergrond van de politieke situatie in Duitsland ten tijde van het Derde Rijk. Eén van zijn bekendste liederen staat in het Liedboek als Gezang 130. De tekst van dit lied is tot in onze tijd een getuigenis van hoop.

Jochen KlepperJochen Klepper, wordt geboren op 22 maart 1903, als zoon van een predikant en van een kunstzinnige vrouw. Hij studeert theologie, en tijdens deze studie ontstaan zijn eerste gedichten, waarbij hij zich in het bijzonder laat inspireren door de dichter Rilke.
In deze periode komt hij voor het eerst in een diepe psychische crisis terecht en besluit zijn studie af te breken. In 1927 begint hij als journalist en tekstschrijver te werken, o.a. bij de radio. In de zomer van 1929 ontmoet hij de dertien jaar oudere joodse weduwe Hanni Gerstel-Stein. Zij heeft twee kinderen. Hun huwelijk betekent ook een breuk met zijn familie. Vooral zijn antisemitische vader accepteert niet dat Jochen trouwt met een joodse vrouw.
In 1932 krijgt hij een vaste betrekking bij de radio in Berlijn. Maar in juni 1933 wordt hij ontslagen vanwege zijn huwelijk met een joodse vrouw.
Over de laatste tien jaar van Kleppers leven weten wij veel, omdat hij gedurende die periode dagboeken bijhield. Deze dagboeken vertellen ons hoe Klepper gebukt ging onder de terreur van het nazi-regime en hoe hij heeft gevochten met zijn verlangen om bij de Evangelische Kirche te kunnen blijven, hoewel die kerk ten tijde van het nationaal-socialisme het regime zo kritiekloos ondersteunde. Hij schrijft: "De kerk is mijn doodsvijand, maar ik kan haar niet verlaten."
In juni 1933 komt Klepper opnieuw in een diepe psychische crisis terecht. Hij overweegt zijn leven te beëindigen. Uiteindelijk zal hij tien jaar later onder de druk van het nazi-regime bezwijken. Door de steeds strenger wordende jodenwetten vlucht de oudste stiefdochter naar Engeland. Als de deportatie dreigt voor Jochen, Hanni en Renate Klepper kiezen zij op 11 december 1942 vrijwillig voor de dood. Op de laatste avond van zijn leven noteert Klepper in zijn dagboek: "Wij sterven nu. Ook dat is in Gods hand. Wij gaan vannacht gezamenlijk in de dood. Boven ons staat in deze laatste uren het beeld van de zegenende Christus die zich voor ons inzet."

Deze biografische schets van het leven van Jochen Klepper is nodig om iets te begrijpen van zijn liederen.

De nacht is haast ten einde is een van de liederen van Klepper die na de oorlog tot de liederenschat van de gemeente is gaan behoren, in Duitsland en in Nederland.
Boven de tekst van dit lied schreef Klepper de woorden van Romeinen 13,11-14a. Vooral het twaalfde vers is voor hem uitgangspunt: "De nacht is vergevorderd, de dag is nabij." Het gehele lied is een uitwerking van het contrast tussen de dreigende duisternis en het licht dat zal overwinnen.
Klepper schreef het lied als een kerstlied. Maar vanwege het hierboven geciteerde bijbelvers wordt het vooral als adventslied verstaan. Want deze woorden uit de Romeinenbrief zijn vanouds de epistellezing van de Eerste Advent.

De nacht is haast ten einde,
de morgen niet meer ver.

Maar dat dit lied ook geschikt is voor de Kerstnacht, lezen we in het tweede gedeelte van strofe 1, waarin duidelijk een verbinding ligt met Jesaja 9,1:

Wie schreide in het duister
begroet zijn klare schijn...

In de tweede strofe verwijst de dichter naar het begin van de Hebreeënbrief, vanouds verbonden aan de Kerstmorgen, waarin we lezen dat de engelen de eerstgeborene hulde bewijzen (Hebreeën 1,6):

Hij die de englen dienen
die eeuwen is verwacht,
is als een kind gekomen...

Het contrast licht-donker speelt in het gehele lied een belangrijke rol, maar wordt wel het scherpst getekend in strofe 3. Hoe aangrijpend zijn deze woorden als wij het levensverhaal van de dichter weten:

Hoevele zwarte nachten
van bitterheid en pijn
en smartelijk verwachten
ons deel nog zullen zijn
op deze donkre aarde,
toch staat in stille pracht
de ster van Gods genade
aan 't einde van de nacht.

Jochen Klepper heeft, evenals de theoloog Dietrich Bonhoeffer, een tijdgenoot van hem, geworsteld met het raadsel van Gods verborgenheid. De eerste regel van de laatste strofe is geen letterlijke vertaling. Wij zingen:

God lijkt wel diep verborgen
in onze duisternis...

maar de Duitse tekst zegt: "Gott will im Dunkel wohnen / und hat es doch erhellt!"
God wil in de duisternis wonen. Dat is een verwijzing naar 1 Koningen 8,12, waar bij de inwijding van de tempel Salomo zegt: "De Heer heeft gezegd in duisternis te willen wonen." Het is niet dat wij God als verborgen ervaren, nee God zelf is het subject van zijn verborgenheid.
Uiteindelijk wordt in de vertaling van de laatste strofe wel de kern zeer poëtisch vertolkt:

...zijn duisternis is licht.

Jochen Klepper, voor wie het leven door het nazi-regime zo verduisterd werd, leert ons zo in de adventstijd met dit indringend getuigenis te blijven zingen van hoop en verwachting, van het komende licht.

Pieter Endedijk

Dit artikel verscheen in Kerkleven, 5 december 2003.

Pieter Endedijk – 6 december, 2003 – 18:45