Zingen wij het 'Ere zij God'?

Elk jaar wordt weer dezelfde discussie gevoerd: moet het 'Ere zij God' nu wel of niet gezongen worden. De meningen lopen uiteen, de emoties soms hoog op (vooral bij kerkmusici).
Als predikant en als kerkmusicus ben ik zeer geboeid door deze discussie, en zie ik ook steeds weer waar het vastloopt.

Eerst iets over de achtergrond van het omstreden lied.
Ik maak daarbij gebruik van een artikel dat de musicologe Mieke Breij eens schreef in het blad Organist & Eredienst.
Het 'Ere zij God' werd in 1933 voor het eerst in een kerkelijke liedbundel in Nederland opgenomen, en wel in de uitbreiding van de Eenige Gezangen van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Waarschijnlijk kenden de gereformeerden het lied uit de Kerstzangbundel voor koor en huisgezin van Johannes de Heer uit 1916. Natuurlijk grappig dat in de titel van deze bundel wordt vermeld dat het niet bestemd is voor gebruik in de kerk. Maar in die tijd was het niet mogelijk om iets in de kerk te zingen waar de synode geen toestemming voor gaf.
Ook Hasper neemt het lied op in zijn Geestelijke Liederen uit de schat van de kerk der eeuwen (1935).
De Gereformeerde Kerken in Nederland nemen in 1962 hun 119 Gezangen in gebruik. Daarin vinden we het als Gezang 14.
In het Kerkboek van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, zowel de editie van 1975 als die van 1986, staat het als Gezang 11.
Over het ontstaan van het lied is weinig zeker. De vermelding in de meeste uitgaven 'ca. 1870, F.A. Schulz' zet ons op het verkeerde spoor. Als de vrijgemaakten in hun kerkboek eerst de jaartallen wijzigen (F.A. Schulz, 1747-1800) en in de tweede editie ook de initialen (J.A.P. Schulz, 1747-1800), zitten we er nog steeds naast. In 2006 nemen de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt een nieuw Gereformeerd Kerkboek in gebruik. Hierin vinden we het 'Ere zij God' als Gezang 50. Daar staat als vermelding bij de melodie: "Ferdinand Schulz (?) / J.C.Bikkers e.a., Het Nachtegaaltje, 1857".
Er heeft geen F.A. Schulz geleefd tussen 1747 en 1800 en de componist Johann Abraham Peter Schulz, die wel leefde van 1747 tot 1800 is de componist zeker niet. De stijl van het 'Ere zij God' komt niet overeen met zijn eigen componeerstijl. Van hem vinden we in het Liedboek één melodie: Gezang 391 ('De maan is opgekomen').

De vermelding in een aantal liedboeken bij de componist: 'F.A. Schulz, "Het Nachtegaaltje", ca. 1870', of nog zorgvuldiger zoals in het Gereformeerd Kerkboek 2006, leidt naar een ander spoor.
In 1857 verscheen de eerste druk van een Verzameling van twee- en driestemmige kinderliederen voor scholen en huisgezinnen, op woorden van Isaac Bikkers. Deze bundel droeg de titel Het Nachtegaaltje, en daarin stonden vier liederen van een zekere F.A. Schulz, waaronder het 'Ere zij God'. Isaac Bikkers (1833-1903) was onderwijzer. Later verschenen nog twee bundeltjes: 'Het Goudvinkje' en 'Het Lijstertje'. Bijna zonder uitzondering maakte Bikkers gebruik van Duitse liederen, die hij waarschijnlijk zelf vertaalde. Verder valt op dat Bikkers liederen heeft opgenomen van zowel J.A.P. Schulz als F.A. Schulz.
Onderzoek naar F.A. Schulz heeft het volgende resultaat opgeleverd.
Franz Albert Schul(t)z, die leefde van 1692 tot 1763, studeerde theologie en filosofie in Halle, broedplaats van het piëtisme. Hij was o.a. werkzaam als predikant bij het leger en vanaf 1731 in Königsberg, waar hij predikant, hoogleraar en directeur was van het 'Collegium Fridericianum'. Op dit Collegium werd ook het vak muziek onderwezen en de dag werd altijd met een lied afgesloten.
Interessant is dat we volgens een lexicon uit 1743 weten dat het Collegium een eigen liedboek had, waaraan Schulz zo goed als zeker heeft meegewerkt of wat hij heeft samengesteld. Van dit liedboek zijn tot nu toe geen exemplaren terug gevonden. Königsberg is in de Tweede Wereldoorlog totaal verwoest en door de Sovjet Unie geannexeerd.
Van de werken die van Schulz in druk zijn verschenen, handelen er twee (uit 1739) over het kerklied.
We weten dus zeker dat Franz Albert Schulz zich met het kerklied bezig hield en vermoedelijk is hij de componist van het oorspronkelijke lied.
Hoe Isaac Bikkers aan het verloren gegane gezangboek is gekomen, blijft gissen. Wel had hij veel connecties met mensen in Duitsland en we weten ook dat de steden aan de Baltische Zee en de Oostzee uitgebreide handelsconnecties hadden met Nederland.

Velen menen dat we met het 'Ere zij God' te maken hebben met Pruisische mars. Dat is niet helemaal juist, hoewel we wel kunnen zeggen dat het om een mars-achtige melodie gaat, waarvan de oorsprong te vinden is in Pruisen.

Dit zijn de historische gegevens, maar die zeggen natuurlijk nog niets over de vraag of je het lied wel of niet in de kerk moet zingen.

In de discussie die vaak gevoerd wordt, vallen steeds woorden als 'smaak' en 'kwaliteit'.
Is smaak subjectief en kwaliteit objectief?
Is het gevoel tegenover verstand?
Als je gevoel en verstand tegen elkaar uitspeelt, krijg je een hopeloze discussie.

Natuurlijk is elk kerklied te beoordelen op kwaliteit. Dan moet gelet worden op theologische, poëtische en muzikale aspecten. Gewoon eens een tekst van een lied declameren als was het een gedicht, zegt al veel over de poëtische zeggingskracht. Doe je dat met 'Ere zij God', dan merk je de zwakte. Was het maar geen lied, maar alleen een acclamatie, of een canon (zoals er ook zijn op deze tekst), dan lag het heel anders.
Zo ook het theologische aspect: wat staat er eigenlijk in de tekst? Klopt dat wel: 'in de mensen een welbehagen'?
Met woorden muziek analyseren is lastig, maar wel mogelijk. Heeft een melodie voldoende karakter om zelfstandig (dus zonder tekst) te bestaan?
Ik heb nog nooit iemand gehoord, die beweerde dat de melodie van 'Ere zij God' echt sterk is. Juist de melodiewendingen en de vele herhalingen maken de melodie zeer zwak. (Het gaat hier te ver om er een uitgebreide melodieleer op los te laten.)

Doet dit er allemaal toe?
Nee, in de discussie die gevoerd wordt niet, omdat wij onze mening er al lang over hebben. We willen een lied graag zingen of niet, en argumenten zijn dan van minder belang.
Of zoals we vaak in kringen van hymnologen zeggen: het gaat niet om de kwaliteit, het is gewoon een kwestie van nestgeur en nostalgie. Daarom willen de doopsgezinden vandaag graag de winden Gods blijven voelen, telt menige confessionele zijn of haar zegeningen nog steeds een voor een, en iemand uit de oecumenisch-protestantse richting zal blijven zingen van een aarde die vervuld is van goedertierenheid, goddelijk geduld en goddelijk beleid. En dat verlangen is in principe legitiem.

Valt over smaak dan niet te twisten?
Zeker wel, omdat smaak gevormd moet worden.
Dan heb je geen mensen nodig die vanuit bekrompenheid bepalen wat een ander mooi moet vinden, maar mensen die een ander meenemen en een weg wijzen.

Ik wil een voorbeeld geven. Ik houd van beeldende kunst, maar ik heb geen kunstgeschiedenis gestudeerd. Dat weerhoudt mij er niet van om van schilderijen te genieten.
Maar om er iets meer van te begrijpen, heb ik mensen nodig als Henk van Os (bekend van TV-programma's en o.a. samensteller van de tentoonstellingen 'Gebed in schoonheid' en 'De weg naar de hemel'). Hij gebruikt zijn vakkennis niet om mij te vertellen wat ik mooi moet vinden, maar hij leert mij te kijken, neemt mij bij de hand en zegt letterlijk: "nou moet je toch eens kijken". Maar hij geeft mij wel de ruimte om zelf te bepalen wat ik mooi vind. Zo maak ik mijn eigen keuze.

Zulke mensen hebben we nodig. Vakmensen, die ook nog de gave hebben om smaakvormend te zijn, maar niet smaakbepalend.
Daarom is hymnologie een vak. Een complex, maar boeiend vak, waarin theologie, poëzie, musicologie samenkomen, maar waarin ook pastorale, diaconale, liturgische en niet te vergeten catechetische aspecten een belangrijke rol spelen.
Als het over de vraag gaat: "wat zingen we wel en wat zingen we niet", dan moeten we ons niet laten leiden door persoonlijke gevoelens. Dan doet vakkennis er echt wel toe. Maar de vraag is: hoe ga je daar mee om?
Het moet gezegd worden: in de opleiding van predikanten wordt weinig aandacht gegeven aan liturgie en vaak helemaal niet aan kerkmuziek. Steeds merk je dat dat een pijnlijk gemis is.
En toch heeft een predikant elke week met deze vragen te maken. Want de liturgie en in het bijzonder de liturgische zang is een theologische vindplaats.

Het kerklied is een gemeenschapslied, waarbij niet de meeste stemmen tellen als de vraag aan de orde is wat er gezongen wordt. De keuze van wat gezongen wordt, moet goed overwogen worden, waarin de kerkmusicus een sleutelpositie heeft.
Immers, onze ordinanties bij de kerkorde van de SoW-kerken melden dat de kerkdiensten onder verantwoordelijkheid vallen van de kerkenraad (waarbij de kerkenraad natuurlijk niet bepaald wat er gezongen wordt). Maar die verantwoordelijkheid van de kerkenraad 'geschiedt met inachtneming van de bijzondere verantwoordelijkheid van de predikant voor de bediening van Woord en sacramenten en van de kerkmusicus voor de kerkmuziek' (Ordinantie 5-1-3).
Kunnen we dat in onze praktijk waarmaken: recht doen aan de verantwoordelijkheid van de predikant én die van de kerkmusicus? Of is dit artikel een dode letter?
Volgens mij kun je daar alleen maar recht aan doen door intensief met je kerkmusicus samen te werken en goed te overleggen.
Als predikant én als kerkmusicus weet ik hoe weldadig het is als die samenwerking goed is en hoe frustrerend het is als aan de eigen verantwoordelijkheid van de kerkmusicus geen recht wordt gedaan.
Voor mijn praktijk betekent dat: we zingen alleen dat waar predikant, cantor en organist zich van harte achter kunnen scharen. En de gemeente merkt dat en zingt van harte mee! Zij hebben deze mensen toch als 'voorgangers' aangesteld?

Predikant en cantor en organist zijn samen de voorgangers in de liturgie.
In die gezamenlijkheid past het niet dat de een de ander een opdracht geeft die maar uitgevoerd dient te worden, ook al kan hij of zij er niet achter staan.

De grote toewijding waarmee predikanten bijbelteksten tot op punten en komma's exegetiseren, moet ook gelden wijze van omgaan met andere aspecten van de liturgie zoals gebeden en liederen: vakkennis en toewijding zijn nodig.

Waarom wij in onze gemeente het 'Ere zij God' niet zingen? Alleen al omdat we met Gezang 134 in het Liedboek voor de kerken op alle fronten een veel beter alternatief hebben!

Pieter Endedijk – 2 februari, 2002 – 00:12

Waarom beide niet?

Leuk en informatief artikel. Alleen de conclusie komt wat onverwacht. Ik had de conclusie verwacht dat "Ere zij God" best gezongen kan worden mits kerkmusicus en voorganger er echter staan. Dat er een beter alternatief is, overtuigt niet zo. Er zijn genoeg diensten rond kerst om beide een plek te kunnen geven. Overigens hebben verreweg de meeste gemeenten geen kerkmusicus. Het komt vaak op de voorganger alleen aan.

Marco Roepers

Roepzes – 6 januari, 2010 – 07:58